Domein - Vraagstukken en perspectieven
Kerndoel 25 De leerling onderzoekt vraagstukken over mens en samenleving.
25A De leerling analyseert maatschappelijke verschijnselen en ontwikkelingen en benoemt waarden en belangen.
Het gaat hierbij om:
- analyseren aan de hand van overeenkomsten en verschillen, continuïteit en verandering, en oorzaken en gevolgen;
- benoemen van de schaalniveaus waarop verschijnselen zich voordoen;
- onderscheiden van perspectieven van personen en groepen en van geografische, historische en economische invalshoeken;
- benoemen van waarden en belangen van mensen en groepen;
- redeneren over de samenleving van de toekomst.
25B De leerling onderzoekt maatschappelijke vraagstukken.
Het gaat hierbij om:
- vraagstukken: duurzame ontwikkeling, historische herinnering, rechtvaardige verdeling, en participatie en inclusie;
- verkennen van vraagstukken vanuit geografische, historische en economische invalshoeken en perspectieven van belanghebbenden;
- gebruiken van relevante bronnen: kaart- en beeldmateriaal, teksten, tabellen en grafieken;
- verbanden leggen tussen mogelijke oplossingen en hun gevolgen voor de samenleving;
- presenteren van mogelijke oplossingen, met gebruik van vaktaal.
25C De leerling verkent de omgeving van de school vanuit geografische, historische, economische en sociale invalshoeken.
Het gaat hierbij om:
- inventariseren van ruimtegebruik en weergeven in een kaart;
- herkennen en benoemen van erfgoed in de omgeving van de school;
- inventariseren van economische activiteiten, werkgelegenheid en sociale voorzieningen;
- verkennen welke aspecten van diversiteit zichtbaar zijn;
- verkennen hoe digitale technologie de omgeving van de school vergroot.
Domein - Mens en ruimte
Kerndoel 26 De leerling verkent geografische verschijnselen.
26A De leerling analyseert de wereld met geografische bronnen en verkent haar vanuit persoonlijk perspectief.
Het gaat hierbij om:
- aanwijzen van de ligging van continenten, oceanen, gebergten, rivieren, landen en steden op topografische kaarten;
- uitleggen dat Nederland en de Overzeese gebieden samen het Koninkrijk der Nederlanden vormen en deel uitmaken van de Europese Unie;
- onderscheiden van verschillende landschappen en geografische indelingen en grenzen met gebruik van topografische, overzichts- en thematische kaarten;
- beschrijven van bevolkings- en cultuurkenmerken van gebieden;
- verkennen van betekenissen die je aan plaatsen kunt geven.
26B De leerling beschrijft hoe menselijk handelen en de leefomgeving elkaar beïnvloeden.
Het gaat hierbij om:
- verbanden leggen tussen geografische kenmerken en de inrichting van de leefomgeving voor wonen, voedselvoorziening, werk, infrastructuur en recreatie;
- beschrijven hoe natuurlijke omstandigheden van invloed zijn op de inrichting van gebieden: water, bodem en klimaat;
- beschrijven van maatregelen waarmee inwoners van Nederland nu en in de toekomst kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering;
- beschrijven hoe het gebruik van natuurlijke grondstoffen leidt tot veranderingen in de natuur: productie, consumptie, afval en transport.
Domein - Mens en tijd
Kerndoel 27 De leerling verkent historische verschijnselen.
27A De leerling beschrijft historische ontwikkelingen aan de hand van gebeurtenissen, personen en voorwerpen.
Het gaat hierbij om:
- ontwikkelingen uit de tijd van jagers en boeren: het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen;
- ontwikkelingen uit de tijd van oude rijken: verspreiding van de Grieks-Romeinse cultuur, verspreiding van de monotheïstische godsdiensten: jodendom, christendom en islam;
- ontwikkelingen uit de tijd van standen en steden: ontstaan van een standensamenleving, groei van handelsnetwerken en opkomst van steden;
- ontwikkelingen uit de tijd van pakhuizen en plantages: de Nederlandse Opstand en het ontstaan van de Republiek, kolonisatie en het ontstaan van mensenhandel tussen werelddelen, verstedelijking en culturele bloei in de Republiek, groeiende belangstelling voor wetenschap en uitvinding van nieuwe technieken;
- ontwikkelingen uit de tijd van burgers en stoommachines: industriële revolutie, streven naar vrijheid en gelijkheid en het ontstaan van een parlementaire democratie;
- ontwikkelingen uit de tijd van wereldoorlogen en mensenrechten: Tweede Wereldoorlog en Holocaust, dekolonisatie, verdergaande samenwerking rond wereldproblemen, groeiende welvaart en diversiteit, ontstaan van een informatiesamenleving.
27B De leerling redeneert over historische ontwikkelingen met gebruik van tijdsaanduidingen en bronnen.
Het gaat hierbij om:
- ordenen in de tijd met tijdsaanduidingen en een tijdlijn;
- rekenen met en redeneren over tijd en tijdsduur;
- redeneren over de maker van een bron en diens perspectief;
- combineren van informatie tot een consistent verhaal over een historische gebeurtenis.
27C De leerling legt verbanden tussen historische ontwikkelingen en gebeurtenissen in het heden en verkent betekenissen die mensen geven aan het verleden.
Het gaat hierbij om:
- uitleggen hoe slavernijverleden, koloniale verhoudingen, Tweede Wereldoorlog, Holocaust en migratie doorwerken in het heden;
- uitleggen dat de wording van het Koninkrijk der Nederlanden zichtbaar is in de vormgeving van de parlementaire democratie;
- verkennen van verschillende betekenissen die mensen kunnen geven aan erfgoed;
- verkennen van verschillende opvattingen over wat bewaard en wat herdacht moet worden;
- verwoorden van de invloed van het verleden op het eigen leven.
Domein - Mens en samenleving
Kerndoel 28 De leerling verkent hoe mensen met elkaar samenleven.
28A De leerling verkent economische keuzes van mensen en mogelijke gevolgen.
Het gaat hierbij om:
- verkennen hoe mensen met werk en inkomen in hun levensonderhoud voorzien;
- verkennen hoe samenwerking invloed heeft op welzijn en welvaart;
- verkennen hoe keuzes worden beïnvloed door beschikbare middelen en door andere mensen;
- verkennen van keuzes en hun gevolgen ten aanzien van ontvangsten, uitgaven, sparen, lenen en risico’s in de eigen omgeving;
- beschrijven van mogelijke gevolgen van consumptie voor jezelf, voor anderen en voor de leefomgeving.
28B De leerling verkent invloed en macht in de samenleving.
Het gaat hierbij om:
- verkennen hoe macht binnen verschillende staatsvormen wordt uitgeoefend;
- verkennen van de rol van overheden op lokaal, provinciaal en nationaal schaalniveau;
- benoemen hoe justitie en politie uitvoering geven aan rechtspraak en handhaving;
- verkennen van de invloed van (sociale) media en bedrijven op meningen en gedrag van mensen;
- verkennen op welke manieren mensen elkaar kunnen beïnvloeden.
28C De leerling beschrijft hoe mensen omgaan met diversiteit in de samenleving.
Het gaat hierbij om:
- uitleggen dat er verschillen bestaan tussen mensen op het gebied van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap en seksuele gerichtheid;
- uitleggen dat er verschillen bestaan tussen mensen op het gebied van lichamelijke en cognitieve mogelijkheden, cultuur en taal;
- beschrijven hoe waarden en gebruiken tussen mensen van elkaar kunnen verschillen;
- beschrijven van diversiteit op het gebied van godsdienst en levensovertuiging: jodendom, christendom, islam, hindoeïsme, boeddhisme en humanisme;
- beschrijven hoe mensen met stereotypering, vooroordelen, racisme en discriminatie andere mensen uitsluiten;
- benoemen hoe mensen inclusie vormgeven.
28D De school draagt bij aan de sociale en emotionele ontwikkeling van leerlingen en bevordert respectvolle omgang met anderen.
Het gaat hierbij om:
- aandacht schenken aan emoties en het omgaan met emoties;
- bespreekbaar maken van wensen, grenzen, mogelijkheden en beperkingen;
- stimuleren van veilige sociale omgang, weerbaarheid, samenwerking en conflicthantering;
- aandacht schenken aan relationele en seksuele ontwikkeling;
- bevorderen van respectvolle omgang met seksualiteit en seksuele diversiteit.
28E De leerling neemt op een veilige en verantwoorde wijze deel aan het verkeer.
Het gaat hierbij om:
- benoemen en toepassen van de verkeersregels die gelden voor voetgangers, fietsers en passagiers;
- kiezen van veilige routes en vermijden van gevaarlijke situaties;
- veilig handelen in verkeerssituaties in de omgeving van de school;
- rekening houden met andere verkeersdeelnemers.



